
In het eerste artikel uit deze serie over het voorgestelde opponentenregime in de Wet bescherming nationale veiligheid (Wbnv) heb ik uitgelegd wat de regering voorstelt. Het opponentenregime wordt een belangrijk onderdeel van de Wet bescherming nationale veiligheid met als doel de inlichtingen- en veiligheidsdiensten wendbaarder en slagvaardiger te kunnen laten functioneren. In dit artikel onderzoek ik de noodzaak, de impact en de kanttekeningen.
Noodzaak
Dat de AIVD en MIVD als taak hebben inlichtingen over opponenten zoals Rusland en China te verzamelen staat natuurlijk buiten kijf. We zien dagelijks hoe de geopolitieke machten als tektonische platen aan het bewegen zijn. Kort geleden waarschuwde Martin Jäger, het hoofd van de Duitse inlichtingendienst BND voor een gewelddadig conflict met Rusland.
In NRC verscheen een analyse op basis van onderzoek van Bart Schuurman naar de hybride oorlogsvoering van Rusland.
In de podcast Schaduwoorlog worden we week na week op de hoogte gehouden van Ruslands intenties door Huib Modderkolk en Annieke Kranenberg van de Volkskrant. ‘Er is geen sprake van een toekomstig conflict met Rusland, we zitten er al in,’ meldt oud-hoofd AIVD Rob Bertholee in diezelfde krant en op NPO Radio1.
En de directeur-generaal van de MIVD, Peter Reesink, meldde op 30 september in een technische briefing aan de Tweede Kamer dat de hybride oorlog die de Russen voeren aan het escaleren is.
Acht maanden geleden, in zijn laatste publicatie over de oorlog in Oekraïne, noemde de AIVD de situatie nog ‘Tussen oorlog en vrede’. Twee maanden later, in april 2026, gaat de MIVD in het laatste jaarverslag al een stapje verder: ‘Daarbij stellen de AIVD en de MIVD dat Rusland zich voorbereidt op een langdurige confrontatie met Europa.’
Minister van Defensie, Dylan Yeşilgöz, ging kort geleden nog een verder en noemde Rusland onze vijand.
Ook voor China worden we dagelijks gewaarschuwd. China bouwt aan een nieuwe wereldorde en doet er alles aan om de positie van grootmacht te versterken. China past daartoe een ‘whole of government’- en ‘whole of society’- benadering toe. Dat betekent dat alle onderdelen van de samenleving – van individuen tot bedrijven en organisaties –, kunnen worden ingezet door de Chinese overheid voor bijvoorbeeld inlichtingenactiviteiten. Elke Chinees is wettelijk verplicht om hieraan mee werken.
Ook in het cyberdomein zijn waarschuwingen voor China aan de orde van de dag. Afgelopen week waarschuwden de AIVD en MIVD voor een toename van Chinese aanvallen via edge services, apparaten die organisaties gebruiken om met het internet te verbinden
Wet bescherming nationale veiligheid (Wbnv)
De AIVD en MIVD geven natuurlijk al lang prioriteit aan Rusland en China, maar nu dus echt een tandje meer. Of zoals Rowin Jansen en Bart Jacobs (Radboud Universiteit Nijmegen) schrijven in hun bijdrage aan de internetconsultatie van het wetsvoorstel: ‘de handschoenen gaan uit’. In de memorie van toelichting van de Wbnv schrijft de regering dat ‘de verschillen tussen dreigingen en soorten actoren kunnen vragen om verschillende manieren van onderzoek doen’. Het doel is de wendbaarheid, slagkracht en flexibiliteit hiermee te verbeteren, tegen de eerdergenoemde dreigingen (vaak buitenlandse – militaire en hybride – dreigingen).
Het opponentenregime in de wet zou gaan gelden voor die actoren ‘waarbij er geen twijfel bestaat dat het noodzakelijk is dat de diensten er onderzoek naar doen en waarbij de inzet van een groot deel van de (bijzondere) bevoegdheden evenredig kan worden geacht gezien de aard van de dreiging die van deze actoren uit gaat’.
Nu is er in de huidige praktijk geen enkele twijfel dat de diensten onderzoek doen naar landen als Rusland, China en Iran. De verandering is dus dat uit het gehele pallet van bevoegdheden geput kan gaan worden. De afdeling toetsing kijkt eenmalig of een organisatie moet worden gezien als een ‘evidente opponent’ en toetst vervolgens niet de inzet van de bevoegdheden op de personen verbonden aan die organisatie. De afdeling toezicht houdt wel doorlopend bindend toezicht op het verbinden van die personen aan een organisatie. Zie hiervoor het uitgebreide artikel ‘Het opponentenregime in de Wbnv’ of het kader in dit artikel.
Organisaties waarbij de doelen en activiteiten evident of militair gericht zijn tegen de nationale veiligheidsbelangen van Nederland kunnen onder het opponentenregime komen te vallen.
De organisaties moeten toebehoren aan een land dat doelen nastreeft of activiteiten verricht gericht tegen Nederland of Nederlandse belangen, of waarvan aannemelijk is dat die in opdracht van dat land handelt.
(Para-)militaire organisatie toebehorend aan deze landen.
Het zijn landen die in ieder geval genoemd zijn in de Geïntegreerde Aanwijzing.
Of het zijn terroristische organisaties genoemd op bepaalde sanctielijsten uit de EU.
Inzet bevoegdheden: na een aanwijzing in het opponentenregime is de inzet van bijna alle bevoegdheden mogelijk.
Controle: afdeling toetsing van het College van Toetsing en Toezicht, het CTT toetst die aanwijzing vooraf, afdeling toezicht van het CTT controleert bindend het toewijzen van personen aan organisaties.
Paraat
Zeker met de militaire dreiging op slechts één dag autorijden van ons verwijderd en met binnen de Europese grenzen sabotage en hybride acties, is het meer dan logisch dat de MIVD en de AIVD paraat moet staan. De MIVD zal meer en sneller de krijgsmacht van inlichtingen moeten kunnen voorzien, en samen met de AIVD eventueel zelf activiteiten van de Russen in cyberspace verstoren. De AIVD zal zich vooral op de interne veiligheid richten, maar zeker de buitenlandtak zal Rusland als hoofdprioriteit hebben. Ook in het binnenland zal ruimschoots aandacht zijn voor de toenemende hybride acties. Gezamenlijk onderhouden de diensten een zogenaamd Ruslandhuis, waarin ze inlichtingen analyseren.
Defensie-achtergrond
Dat het opponentenregime en de Wbnv een duidelijke Defensie-achtergrond hebben bleek al eerder uit mijn eigen analyse over het op handen zijnde wetsvoorstel van deze zomer.
De wet krijgt een ‘militairder’ aangezicht en dat is logisch, zeggen ook Rowin Jansen (universitair docent Nationale veiligheidsrecht aan de Radboud Universiteit) en Peter de Werd (universitair hoofddocent inlichtingen en veiligheid bij de Nederlandse Defensie Academie). ‘De geopolitieke en veiligheidssituatie verandert, de dreigingen tegen de nationale veiligheid zijn toegenomen en duidelijker zichtbaar, maar vanuit inlichtingenperspectief is de Koude Oorlog nooit geëindigd,’ aldus Peter de Werd. Ook Rowin Jansen ziet die massieve dreigingen. ‘Het is begrijpelijk waar de wens voor een apart opponentenregime vandaan komt. Hoe dit regime precies ingevoerd wordt, blijft natuurlijk een politieke keuze.’
Door eenmalig voor een jaar bijna alle bijzondere bevoegdheden toe te staan binnen dit opponentenregime tegen aangewezen organisaties moet de wendbaarheid en snelheid (en daarmee de slagkracht) van de diensten flink toenemen. Het scheelt om te beginnen enorm veel ‘administratief’ werk. In het kort: nu volgt iedere drie maanden voor iedere bevoegdheid die bij een organisatie wordt ingezet een toetsing. Dit aspect gaat in rook op.
Een blik op de te toetsen aantallen zou volgens Rowin Jansen resulteren in de mogelijkheid dat het opponentenregime zou gaan gelden voor ongeveer om 60 tot 70 procent van de inzetten van bevoegdheden bij de AIVD en 80 tot 90 procent van die bij de MIVD. ‘Het opponentenregime zou daarmee geen uitzonderingsregime, maar het dominante regime in deze wet zijn,’ merkt Jansen op. ‘Het betreft vaak herhalingsverzoeken van langdurige operaties,’ aldus Jansen. Dit zijn verzoeken voor de inzet van bevoegdheden, die dus van langere duur zijn dan de drie maanden toestemming. Denk dan dus vooral aan langdurige operaties tegen Rusland en China.
Zo’n nieuw opponentenregime kan goed helpen in deze dreigende situatie, denkt Peter de Werd. ‘Want dat opponentenregime gaat het echt eenvoudiger maken om inlichtingen te verzamelen over de werkelijke intenties van landen als Rusland en China. Het vereist ook dat we slagvaardig en flexibel kunnen zijn. In de praktijk is er grote behoefte om de administratieve lasten in deze dossiers omlaag te brengen.’
Uiteindelijk zou dat best om relevante hoeveelheden gaan. Het TIB-jaarverslag meldt over 2025 precies 4615 aanvragen voor de inzet van een bijzondere bevoegdheid. Daarmee is een flink stijgende lijn zichtbaar: in 2023 waren dat er 3883, in 2019 waren het er 2320, een verdubbeling in zes jaar tijd.
Opmerkelijk genoeg vindt de grootste stijging plaats bij de AIVD, in 2023 22 procent, in 2023 15,5 procent en afgelopen jaar 4,8 procent. Bij de MIVD steeg alleen in 2023 het aantal – ook met 15,5 procent –, in 2023 daalde het met 5 procent en afgelopen jaar met 3,3 procent.
Hoe dat er in de praktijk uitziet, uitgaande van de percentages die Rowin Jansen noemt, levert een interessant beeld op. Neem bijvoorbeeld 2025, met 4615 aanvragen bij de TIB voor de inzet van bijzondere bevoegdheden. De TIB zou onder het opponentenregime (zeg gemiddeld 80 procent) veel minder te toetsen krijgen: 923 aanvragen zouden overblijven van de 4615. Het voordeel voor de AIVD zou enorm groot zijn, kijk bijvoorbeeld naar de taps. Als bij de AIVD maar 30 procent hoeft te worden getoetst, blijven er 430 (30 procent) van de 1434 over. Dus ja, op basis van deze cijfers zal de administratieve last van de diensten onder het opponentenregime enorm dalen en daarmee de slagkracht vergroten.
Meerdere kanten
De slagkracht zou dus flink kunnen worden vergroot omdat veel van die administratie rondom de toetsingen als sneeuw voor de zon verdwijnt. Maar niet helemaal natuurlijk, het opponentenregime wordt geen carte blanche om willekeurig welke organisatie en daaraan verbonden persoon onder dat regime te plaatsen.
Er gelden voorwaarden en procedures, zie in detail weer het vorige artikel, maar voor hier is het van belang hoe het begrip ‘offensieve organisatie’ wordt ingevuld ten aanzien van de personen die daaraan worden verbonden. Dat is van belang voor de reikwijdte van het opponentenregime.
Een evidente opponentenorganisatie
Hoewel uit de memorie van toelichting overduidelijk blijkt dat het opponentenregime zich richt tegen Rusland en China (voorlopig dan), is het aanwijzen van hele landen niet aan de orde, aldus de regering. Logisch want dan zou in principe iedere Russische of Chinese burger onder dit opponentenregime kunnen komen te vallen. Het aanwijzen op persoonsniveau zou weer te beperkt zijn, zo schrijft de regering. Ook voorstelbaar, er zouden ellenlange lijsten nodig zijn.
Dus, althans zo is het wetsvoorstel nu ingericht, de aanwijzing kan gaan gelden voor ‘een organisatie die toebehoort aan een land dat doelen nastreeft of activiteiten verricht gericht tegen Nederland of Nederlandse belangen, of waarvan aannemelijk is dat die in opdracht van dat land handelt’.
Kenmerken organisaties
Maar wat kan dan worden gezien als een ‘organisatie’, het belangrijkste begrip in deze regeling?
We kunnen er natuurlijk zelf van alles bij bedenken. Van een formele postduivenvereniging met officiële leden, tot een clubje havanna’s rokende mannen, dat dagelijks, informeel, een Cubaans sigaartje rookt. Van een samenwerkingsverband met een duurzaam karakter tot een club met een gemeenschappelijke doelstelling, waarvan die doelstelling kenbaar is voor de leden van de organisatie. De tijdsduur kan beperkt zijn, maar ook tot in de eeuwigheid gelden.
In de nieuwe wet zijn de voorwaarden om als organisatie binnen het opponentenregime aangewezen te worden als volgt: een organisatie behoort toe aan het offensieve land, of handelt in opdracht van dat land. Bovendien moet de organisatie erop gericht zijn bij te dragen aan de verwezenlijking van de doelen of activiteiten van dat offensieve land. Die Russische postduivenvereniging valt dus af, behalve als ze geheime boodschappen overbrengen natuurlijk. Daarnaast moet de bijdrage die de organisatie hieraan levert de uitoefening van bijzondere bevoegdheden jegens de organisatie rechtvaardigen. Dat is al iets lastiger, want stel die postduivenvereniging doet noodgedwongen af en toe een opdracht voor de FSB (de Russische geheime dienst), wanneer is die bijdrage dan voldoende om toch in het opponentenregime terecht te komen? Daarnaast is er ook een hele lijst van terroristische organisaties die met een wettelijke aanwijzing onder het opponentenregime komt te vallen, maar daarover volgt komende tijd meer.
Als het om (para)militaire organisaties gaat, vallen de volgende ‘organisaties’ eronder: a. een krijgsmacht; b. een ministerie van Defensie; c. een militaire inlichtingen- of veiligheidsdienst; d. een organisatie die wezenlijke werkzaamheden verricht voor de ontwikkeling, vervaardiging, opslag, verwerving, proliferatie of verplaatsing van militaire middelen of de voorbereiding daarvan; of een samenwerkingsverband van de onder a. tot en met d. bedoelde organisaties. Een militaire organisatie kan ook een paramilitaire organisatie of groepering zijn die in staat is duurzame gewapende strijd te leveren.
Voorbeelden die genoemd worden in de memorie van toelichting zijn onder andere een buitenlandse inlichtingendienst, hackerscollectieven, maar ook lossere samenwerkingsverbanden, zoals bijvoorbeeld een groep instellingen en/of commerciële partijen die gezamenlijk bijdragen aan het militaire voortzettingsvermogen van een staat.
Aanpassing voor MIVD eenvoudiger dan voor AIVD
In die zin wordt het voor de MIVD eenvoudiger te werken met een nieuw opponentenregime, dan voor de AIVD. Ook hoeft de MIVD bij de aanwijzing van militairen opponenten geen noodzakelijkheid of proportionaliteit te omschrijven, want, zo schrijft de regering ‘het doel van een militaire organisatie is om het voortzettingsvermogen en de mogelijkheid tot het voeren van (gewapende) strijd van de betreffende actor te vergroten’.
De AIVD zal dus vaker de noodzaak en proportionaliteit moeten omschrijven bij het aanwijzen van een organisatie binnen het opponentenbeleid. Zeker met de ‘whole of society approach’ van China wordt dat nog een uitdaging. Moeten organisaties zoals het China General Technology Research Institute, de Chinese Association of Life-Sciences in the Netherlands, de Dutch Startup Bootcamp Shanghai, de Holland High Tech China Center of de volledige Association of Chinese Scholars and Students in The Netherlands op de opponentenlijst? Wanneer wordt een organisatie echt bij de evidente opponent gerekend? De organisatie moet erop gericht zijn bij te dragen aan de verwezenlijking van de doelen of activiteiten van de offensieve opponent, maar hoe substantieel die bijdrage zal moeten zijn, wordt niet duidelijk aangegeven.
Opponenten van vlees en bloed
Het aanwijzen van de organisatie is in deze vorm uiteindelijk een middel om de bijzondere bevoegdheden tegen personen en de door die organisatie in gebruik zijnde digitale middelen, in te kunnen zetten. Met dit in gedachten even terug naar de postduivenvereniging. De MIVD/AIVD hebben geconstateerd dat er geheime berichten van de FSB worden overgebracht door postduiven van deze vereniging, dus die mag op de opponentenlijst. De volgende stap is identificeren welke van de leden bij de activiteiten betrokken zijn en welke laptops ze eventueel gebruiken. Dan mogen tegen die personen en die laptops een jaar lang bijzonder bevoegdheden worden ingezet.
Net als bij deze postduivenvereniging (mits hun administratie toegankelijk en op orde is) zal in een heleboel gevallen ook duidelijk kunnen zijn welke personen tot een bepaalde organisatie behoren. Zeker bij de officiële militaire opponenten in dienst van de krijgsmacht zal snel duidelijk zijn wie daartoe behoren. Ook bij ministeries en andere staatsorganisaties zullen personeelsleden eenvoudig gekoppeld kunnen worden aan andere organisaties. Een belangrijk element blijft dus de toegang tot de administratie.
Maar, zo schrijft de regering, het koppelen van individuen aan een organisatie zal van geval tot geval verschillen, afhankelijk van de aard van de organisatie, de aard van het onderzoek en hoe ver het onderzoek gevorderd is. Bij een organisatie met een openbare lijst van medewerkers verloopt dit proces eenvoudiger dan bij een informeel samenwerkingsverband dat versleuteld communiceert. En er is een grote grijze zone, bijvoorbeeld als een persoon werkzaamheden verricht voor de organisatie die onderzocht wordt maar feitelijk in dienst is van een andere organisatie, zoals een koerier. Of bij een situatie waarin medewerkers van een kennisinstelling geen weet hebben van de banden tussen die kennisinstelling en een krijgsmacht. Enorm divers, diffuus en onduidelijk kan het zijn, schrijft de regering hierover zelf.
Controle op de banden met organisaties
Deels is dit werk natuurlijk het inlichtingenwerk dat de AIVD en MIVD dagelijks uitvoeren. Ook als we nu naar de inzet van bijzondere bevoegdheden onder de Wiv kijken dan wordt het begrip organisatie veelvuldig gebruikt. En ook daar moeten leden en laptops aan gekoppeld worden.
Onder de Wiv 2001 constateerde de CTIVD (rapport nr. 40) dat de AIVD in toenemende mate gebruik maakte van organisatielasten. Dit zijn de verzoeken om een bijzondere bevoegdheid tegen een organisatie (en de daaraan verbonden personen) in te mogen zetten. Later onder de Wiv 2017, in 2020, constateerde de TIB (jaarverslag 2021) dat ‘organisatieverzoeken van beide diensten in reikwijdte en in omvang van de verzochte inzet van bevoegdheden waren toegenomen’. Bij de dagelijkse inzet wordt het begrip organisatie dus al veelvuldig toegepast. De regering schrijft dan ook: ‘het begrip organisatie wordt voor de uitvoering van de opponenten-toestemmingsprocedure hetzelfde uitgelegd als in de huidige werkwijze op grond van de Wiv 2017’.
En hoewel personen op uiteenlopende manieren aan een organisatie gekoppeld kunnen worden, gaat de regering wel uit van bepaalde aanknopingspunten zoals dienstverband, het uitvoeren van activiteiten onder aansturing van de desbetreffende organisatie, als aannemelijk kan worden geacht dat de betreffende persoon als onderdeel van de organisatie kan worden gezien (bijvoorbeeld een sleutelrol heeft), en geautomatiseerde werken kunnen worden gekoppeld wanneer die in gebruik zijn bij de organisatie. Soms (bijvoorbeeld in het cyberdomein) kan een bepaalde modus operandi voldoende zijn om iemand te koppelen aan de organisatie. Als slot op de deur komt er bindend toezicht op het verbinden van personen aan organisaties. En daarnaast meldt de regering: ‘hierbij dient te worden aangemerkt dat het verbinden van personen aan organisaties onder de Wiv 2017 al goed functioneert en de verwachting is dat dit ook na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel zo blijft’.
De TIB/CTIVD zeggen hierover dat “hoewel het systeem onder de Wiv 2017 werkbaar is voor gerichte onderzoeken, zijn we niet positief over het zonder aanvullende en frequente ex ante toetsing doortrekken van dezelfde werkwijze naar het opponentenregime”.
DE TIB/CTIVD stelt dan ook dat in het wetsvoorstel daarom slechts zeer beperkt met hetzelfde stelsel wordt gewerkt, want de ex ante toets op noodzakelijkheid, proportionaliteit, subsidiariteit en gerichtheid komt niet meer ter sprake gedurende een jaar na de start. ‘Indien een organisatie onder het evidente tegenstanderregime valt, wordt aangenomen dat iedereen binnen de organisatie ‘fair game’ is. Er wordt in dit wetsvoorstel geen verschil gemaakt tussen de schoonmaker van het gebouw en de leider van de organisatie’ , aldus de TIB/CTIVD.
Beoordelingskader
Nog even terug naar het jaarverslag 2021 van de TIB, waarin de commissie opmerkte dat de verzoeken in reikwijdte en in omvang betreffende organisaties toenamen. Want de TIB had gesignaleerd ‘dat vaker onduidelijk was wie onder welke omstandigheden als lid van de organisatie kon worden aangemerkt’.
Het was de aanleiding voor de TIB/CTIVD om een beoordelingskader uit te werken en dat kwam er in december 2021. Daarin wordt beschreven welke vereisten de toezichthouders stellen aan een organisatiebeschrijving. Ook wordt beschreven wat de toezichthouders verwachten ten aanzien van een beschrijving van de reikwijdte van een verzoek. Het beoordelingskader is voorzien van diverse voorbeelden van reeds beoordeelde verzoeken.
Hoe die controle werkt? Ook dat komt aan bod in het jaarverslag 2021 van de TIB.
In dat jaar heeft de TIB 13 gevallen als onrechtmatig beoordeeld, omdat er problemen waren met de omschrijving en afbakening van een organisatie. ‘In een aantal gevallen was volstrekt onduidelijk wie op welk moment kon worden bijgeschreven. Dat zou ertoe kunnen leiden dat mensen die zich van geen kwaad bewust zijn, zonder toets vooraf door de diensten getapt of gehackt zouden kunnen worden,’ aldus de TIB. ‘Ook is het voorgekomen dat de reikwijdte dusdanig ruim was gedefinieerd dat personen die evident niet konden bijdragen aan de beantwoording van de onderzoeksvragen toch konden worden bijgeschreven. Met andere woorden, op papier zouden bevoegdheden ingezet kunnen worden op personen zonder dat daar een noodzaak toe was,’ zo meldt de TIB.
Een grofmazig instrument
Wel is duidelijk dat het karakter van de aan te wijzen organisaties binnen het opponentenregime duidelijk offensief van karakter zal moeten zijn: de organisatie is erop gericht bij te dragen aan de verwezenlijking van de doelen of activiteiten van dat offensieve land. Maar toch, zo schrijft de TIB/CTIVD in antwoord op vragen: ‘Een heroverweging van de invoering van het opponentenregime zou op zijn plaats zijn. De “opponenten-toestemmingsprocedure” is een grofmazig instrument dat geen recht doet aan de nuances die een noodzakelijkheids- en proportionaliteitstoets bij de inzet van bevoegdheden vraagt.’
Met deze kwalificatie en met veel zorgen over verschillende onderdelen van het opponentenregime stellen de Toetsingscommissie inzet bevoegdheden (TIB) en de Commissie van Toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (CTIVD) dat we niet uit het oog moeten verliezen wat we juist willen beschermen: niet alleen de nationale veiligheid, maar ook onze democratische rechtsstaat. Het gebrek aan kaders wanneer iemand gelieerd kan worden aan een organisatie onder het opponentenregime noemen de TIB en CTIVD zorgelijk. ‘Als er geen duidelijke kaders zijn hoe personen gelieerd kunnen worden aan een organisatie, is het einde zoek,’ aldus de TIB en CTIVD. De TIB/CTIVD maken zich zorgen over hoe het begrip organisatie wordt gedefinieerd in het opponentenregime. In de huidige formulering in het wetsvoorstel is de groep van organisaties waarvoor het regime kan gaan gelden zeer ruim geformuleerd. Dit geldt met met name voor ‘organisaties van landen die doelen nastreven of activiteiten verrichten gericht tegen Nederland of de Nederlandse belangen’ en ‘paramilitaire organisaties of groeperingen, die gelijk gesteld kunnen worden aan in de wet genoemde militaire organisaties, die in staat zijn duurzame gewapende strijd te leveren’. Het gaat dan om een niet helder afgebakende doelgroep en mogelijk zeer brede invulling van deze definitie, aldus de TIB/CTIVD. De hele reactie van de TIB/CTIVD kunt u hier lezen.
Internetconsulatie: hoe reageert het veld?
NJCM
Ook het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten noemt de omschrijving van ‘evidente’ opponenten niet waterdicht. Zo vindt het NJCM de categorie van organisaties waarvan het aannemelijk is dat ze in opdracht handelen van een land met offensieve activiteiten zeer ruim. Er dreigt volgens het NJCM een glijdende schaal in de kwalificatie van een organisatie die ‘wezenlijke werkzaamheden verricht voor de ontwikkeling, vervaardiging, opslag, verwerving, proliferatie of verplaatsing van militaire middelen of de voorbereiding daarvan’ als militaire organisatie.
Peter Koop
Peter Koop (auteur van het onderzoeksweblog Electrospaces.net en parttime onderzoeker aan de iHub van de Radboud Universiteit) wijst er ook op dat de reikwijdte van deze organisaties ver kan gaan. ‘Volgens de memorie [van toelichting] kan dit ook mensen omvatten die zelf niet weten dat zij voor een dergelijke organisatie werken, bijvoorbeeld als koerier. Dit betekent dat ook Nederlandse burgers onder het opponentenregime terecht kunnen komen en er met minder zware waarborgen bijzondere bevoegdheden tegen hen kunnen worden ingezet,’ aldus Koop.
CvdRM
Het College van de Rechten van de Mens denkt ‘dat naar verwachting het leeuwendeel van de toekomstige inzet van bevoegdheden van de diensten onder dit opponentenregime zal vallen’. Tegelijkertijd is het CvdRM er niet van overtuigd dat deze regeling voldoende mensenrechtelijke waarborgen biedt. De kritiek van het CvdRM spitst zich daarbij toe op het aanwijzen van organisaties en op de criteria van het liëren van personen aan organisaties in het algemeen. Het CvdRM stelt voor om de lichtere term ‘aannemelijk’ in de wet te vervangen door de in de memorie van toelichting gebruikte term ‘evident’. Ook wijst het CvdRM erop dat het verbinden van personen op ruime gronden plaats kan vinden door slechts ‘een toereikende beschrijving van betrokkenheid’. ‘Gevolg kan zijn dat personen waarvan de betrokkenheid bij een evident vijandige organisatie twijfelachtig of gering is kunnen worden onderworpen aan bevoegdhedeninzet zonder dat het CTT hier een negatief bindend oordeel over kan vellen,’ aldus het CvdRM. Het College beveelt aan de criteria voor liëring expliciet aan te scherpen.
Daarnaast vindt het CvdRM dat het opponentenregime door het afschalen van het toetsen vooraf, vraagt om het intensiveren van het toezicht op de uitvoering. Volgens het College is dit noodzakelijke compensatie op grond van EHRM-jurisprudentie (Europees Hof van de Rechten van de Mens). Dit vraagt om meer capaciteit en armslag bij het CTT, aldus het College.
Nederlandse Orde van Advocaten
De Nederlands Orde van Advocaten noemt het meest in het oog lopend probleem van de opponentenregeling welke natuurlijke personen behoren tot de aangewezen ‘evidente opponent’. De NOvA noemt de omschrijving van dergelijke ‘toebehorende’ natuurlijke personen wel erg ruim en vraagt zich af of de duiding wel in overeenstemming is met Europeesrechtelijke verplichtingen, nu het Europees Hof voor de Rechten van de Mens inmiddels meermalen heeft uitgemaakt dat het gebruik van een bepaalde (versleutelings)techniek onvoldoende is om natuurlijke personen tot deelnemers van een staatsgevaarlijke organisatie aan te merken.
Whole of society-approach
In antwoorden op extra vragen die ik het TIB/CTIVD stelde, maken zij zich zorgen om deze ontwikkeling. Zij zien in het wetsvoorstel dat de noodzaak om een aantal bijzondere bevoegdheden op een persoon in te zetten al wordt geacht aanwezig te zijn zodra die persoon op enige wijze verbonden is aan een aangewezen organisatie. Het wetsvoorstel maakt geen onderscheid binnen een organisatie. ‘Het maakt daarbij geen verschil op welke manier die persoon verbonden is of welke functie de persoon binnen de organisatie bekleedt. Er wordt in dit wetsvoorstel geen verschil gemaakt tussen de leider van de organisatie en iemand die de lampen vervangt in het kantoor,’ aldus de TIB/CTIVD.
De ‘whole of society’-approach kan er bovendien voor zorgen dat een groot deel van de inwoners van een land, of personen behorend tot de diaspora van dat land, onder de werking van het opponentenregime komen te vallen. ‘Dit betekent dat het niet uitgesloten is dat bijzondere bevoegdheden op jou kunnen worden ingezet, simpelweg omdat je een burger bent van een land waar de organisatie onder valt of dat je daarmee nauwe banden hebt,’ aldus de TIB/CTIVD
Ex-ante toetsing
De TIB/CTIVD hebben ook over de aanwijzing van de evidente opponentenorganisaties zorgen. Het nieuwe CTT kan slechts ex-ante (vooraf) toetsen aan de voorwaarden die de wet stelt. En, zo stelt de TIB/CTIVD, ‘aangezien het wetsvoorstel ruim is geformuleerd, moet de CTT al snel concluderen dat een aanwijzing aan de wettelijke eisen voldoet’. Zo kan de CTT niet afwegen of de aanwijzing van een organisatie ook noodzakelijk, proportioneel en subsidiair is. “Door deze ruime definitie en de voorgestelde procedure van aanwijzing van een organisatie dreigt de individuele beoordeling van de concrete en actuele dreiging voor de Nederlandse nationale veiligheid naar de achtergrond te verdwijnen, terwijl juist een onafhankelijke voorafgaande beoordeling per geval noodzakelijk is”, aldus de TIB/CTIVD.
In het opponentenregime komt ook een ruime mogelijk om te werken met een algemene onderbouwing voor meerdere organisaties en de aanwijzingen samen te voegen. ‘De minimale waarborgen die nog gelden, waaronder het toetsen van beide ministers, wordt nog meer afgezwakt als volstaan kan worden met een algemene onderbouwing van een organisatie waarop dat regime van toepassing is,’ zegt de TIB/CTIVD.
Geen vrijbrief
Al met al nog flink wat haken en ogen aan dit opponentenregime, al zijn er zeker ook positieve geluiden te horen. Peter de Werd zegt bijvoorbeeld dat het regime echt wel duidelijk bedoeld is als een flexibel instrument tegen evidente (militaire) opponenten en dreigingen richting Nederland en de Nederlandse belangen. ‘De aanwijzing van organisaties vindt plaats onder ministeriële verantwoordelijkheid en wordt vooraf bindend getoetst door het CTT, en op liëring van personen wordt door de afdeling toezicht bindend toezicht gehouden,’ zo merkt De Werd op. ‘Het opponentenregime vormt geenszins een vrijbrief voor diensten.’
Daarnaast legt de regering uit dat dat het evidente of militaire karakter juist een lichtere toetsingslast rechtvaardigt, zegt De Werd. ‘In specifieke gevallen zullen de administratieve lasten effectief kunnen worden teruggedrongen en hieraan is in de praktijk grote behoefte.’ En bovendien worden sommige zwaardere bevoegdheden zoals bulkinterceptie uitgezonderd van dit opponentenregime, aldus De Werd. Uiteindelijk gaat het wel om een evenwichtige balans, waarover De Werd ook nog bepaalde voorstellen doet. Daarover later meer.
Balans
Over de geschiktheid en reikwijdte van het voorgestelde opponentenregime lopen de visies duidelijk uiteen. De sterke wens om wendbaarder, slagvaardiger en flexibeler te zijn voor de diensten heeft toch wel een kwetsbaar voorstel opgeleverd. In het wetsvoorstel wordt de oplossing dus heel erg gezocht in het opponentenregime dat toch voor een groot gedeelte in het buitenland zal worden toegepast. Is het niet slimmer dan om juist daar het onderscheid te maken?
Het feit dat we in Nederland een inlichtingenwet hebben die zowel voor binnenland als voor buitenland, als voor civiel als voor militaire doelen geldt zorgt ervoor dat zo’n wetsvoorstel dan ook wringt, stelt Rowin Jansen. ‘Juridische onderscheid maken voor het binnenland, het buitenland, civiel en militair in één wet is zeer ingewikkeld. Gevolg is dat alles nu ‘gedwongen’ bij elkaar in één wet zit, in hetzelfde jasje.’ In veel andere lande is er wel onderscheid, in ieder geval tussen binnen- en buitenland. ‘Het is lastig, maar je zou serieus moeten kijken of het opsplitsen in meerdere aparte wetten deze gedwongen situatie niet kan ontvlechten,’ aldus Rowin Jansen.
De regering heeft daar niet voor gekozen met het wetsvoorstel Wbnv, en soms is het ook fluïde waar een dreiging vandaan komt, zegt Rowin Jansen. ‘Als Russische hackers via een server in Nederland een hackoperatie opzetten, dan is er duidelijk een fluïde overgang tussen binnen- en buitenland, dus dat blijft ingewikkeld.’
Professor Paul Ducheine (senior research fellow Amsterdam Centre for International Law ) zegt in zijn internetconsultatie hier onder andere over dat er wel degelijk onderscheid gemaakt kan worden tussen targets in Nederland en in het buitenland. ‘Een “target” buiten Nederland, of buiten de EU of EVRM-verdragsruimte, bevindt zich in een andere positie ten opzichte van Nederlandse overheidsorganen dan een ingezetene van Nederland,’ aldus Ducheine. ‘Deze verschillen hebben invloed op de afwegingen van bijvoorbeeld proportionaliteit. Immers, als er geen (of slechts een beperkte) mensenrechtelijke verplichting geldt, is een inperking ervan immers ook niet (of slechts beperkt) aan de orde.’ Dus, zo stelt Ducheine, een persoon (een ‘target’) – bijvoorbeeld een (militaire) opponent – die zich buiten de Nederlandse jurisdictie bevindt, profiteert wellicht van een onterecht hoge mate van bescherming vanwege veronderstelde Nederlandse mensenrechtenverplichtingen.
De slagkracht al gewonnen?
Bovendien zitten er in het wetsvoorstel al flink wat andere onderdelen die de wendbaarheid en slagkracht zullen verbeteren. Maakt dat een apart opponentenregime wel noodzakelijk?
Toestemming op onderwerp
Een eerste belangrijke wijziging is het voorstel om de verzoeken op de inzet van bijzondere bevoegdheden (toestemmingsverzoeken) voortaan niet alleen aan een persoon of organisatie te koppelen, maar ook aan een onderwerp.
Hoe zou dat eruitzien? Nu gaat het als volgt: als een team dat zich bezighoudt met het onderwerp antimilitarisme ziet dat actieve personen mogelijk blokkades willen gaan organiseren, vraagt het toestemming om deze personen te mogen tappen. Een aantal daarvan blijkt ook te horen bij Onkruit vergaat niet, dus (met voldoende aanwijzing en motivatie) vraagt het team om de hele organisatie af te mogen tappen. Iedereen die verbonden is aan Onkruit vergaat niet mag vervolgens getapt worden. Zo werkt het nu.
In het wetsvoorstel Wbnv mag er dus ook op onderwerp een verzoek worden ingediend. Dus stel, er is in toenemende mate sprake van spoorblokkades door middel van buizen, dan kan de AIVD op dat onderwerp een bevoegdheid tot tappen vragen. Het kan namelijk gebeuren dat de achtergrond van het onderwerp zo vaag is, dat zo’n blokkade uit meerdere hoeken kan komen. Het verruimt de mogelijkheid om meerdere organisaties en de daaraan verbonden personen af te tappen, zij het dat de plicht blijft bestaan dat voldoende te motiveren.
Van drie naar zes maanden
Een ander in het oog springend voorstel is om de termijn van de inzet bijzondere bevoegdheden te verlengen van drie naar zes maanden. Neem weer bovenstaand voorbeeld. Nu mag de AIVD/MIVD de antimilitaristische organisatie Onkruit vergaat niet en de daaraan verbonden leden drie maanden tappen (na toestemming en toetsing door de TIB). In het wetsvoorstel wordt voorgesteld dat te verlengen naar zes maanden. Daarnaast kan het dan dus ook op onderwerp. Voor bulkinterceptie blijft de termijn overigens een jaar, dat geldt momenteel ook al.
Het hoofdargument dat de regering in de toelichting geeft is dat de driemaandelijkse toestemming en verlenging onvoldoende wendbaarheid en slagkracht geeft. ‘Dit leidt er in de praktijk toe dat er veelvuldig herhaalverzoeken worden geschreven voor operaties die nog steeds lopen en waarbij de onderbouwing van de noodzaak, proportionaliteit en subsidiariteit van de inzet van bevoegdheden niet wezenlijk verandert.’ De toegenomen dreigingen, gebieden van onderzoek en het aantal lasten, betekenen bovendien dat er steeds meer capaciteit nodig is om verzoeken en herhaalverzoeken te schrijven.
Bredere toepassing van de bijzondere bevoegdheden
Ook worden tal van zaken uit de inzet van bijzondere bevoegdheden veralgemeniseerd, waardoor er geen toetsing door het College Toetsing en Toezicht, het CTT zal plaatsvinden. Het gaat dan om de toegang tot plaatsen, het gebruik van technische hulpmiddelen en het gebruik van een aangenomen identiteit of hoedanigheid. Het worden hiermee bevoegdheden die te allen tijde ingezet kunnen worden. Hetzelfde zal ook gaan gelden voor de bevoegdheid om kortstondig te observeren. Daarnaast komt er minder toetsing bijvoorbeeld bij hacken. Sowieso wordt toetsing vooraf door het CTT in aanzienlijk minder situaties voorgeschreven dan nu in de Wiv 2017 en de Tijdelijke wet het geval is.
Ook wordt in het wetsvoorstel de vereiste dat de uitoefening van een bevoegdheid zo gericht mogelijk dient te zijn niet meer expliciet opgenomen. De reden van dit voorstel is dat in de praktijk de open norm van deze aanvullende vereiste voor de inzet van een bevoegdheid, heeft geleid tot onduidelijkheid en vertraging bij de inzet van een bevoegdheid. Het speelde vooral een rol bij de verzameling van bulkgegevens, die met verschillende bevoegdheden kunnen worden ingewonnen.
Welk effect heeft administratieve verlichting?
Bovendien komt er een flinke administratieve verlichting in het kader van ex-ante toets door de afdeling toetsing van het CTT. De regering schrijft daarover dat in de praktijk is gebleken dat de invulling van de rechtmatigheidstoets door de TIB ertoe heeft geleid dat de toets zich niet alleen richt op de voorgenomen inzet van de bijzondere bevoegdheid, zoals een telefoontap of het hacken van een server, maar ook hoe daarna gegevens verwerkt worden, de bewaartermijn van die gegevens en of de gegevens gedeeld worden met een buitenlandse dienst.. Dit zijn bij uitstek elementen die onderworpen zijn aan toezicht door de CTIVD. Ook de evaluatiecommissie komt tot deze constatering en acht dit onwenselijk. De voorafgaande rechtmatigheidstoets is naar het oordeel van de regering onder andere door deze toepassingspraktijk te veelomvattend geworden, wat heeft geleid tot zeer omvangrijke, gedetailleerde en diffuse toestemmingsverzoeken en een afname in de effectiviteit en wendbaarheid van de taakuitvoering door de diensten. Dus gaat de toetsing vooraf ook geen ruimte meer laten voor toetsing op het uitvoeringsproces, vooraf zal er dus puur gekeken worden naar de rechtmatigheid van een inzet.
Andere voorgestelde maatregelen die de wendbaarheid en slagkracht zullen verhogen, zijn onder andere de (onder)mandatering. Op een lager niveau in de diensten kunnen besluiten worden genomen waardoor de administratieve lasten zullen afnemen. De ministeriële verantwoordelijk blijft volgens de toelichting wel bestaan. ‘Dit doet niets af aan de ministeriële verantwoordelijkheid van de betrokken ministers voor de genomen besluiten: zij beslissen voor welke besluitvorming zij mandaat verlenen, de besluiten in mandaat worden in hun naam genomen en zij blijven onveranderd politiek verantwoordelijk voor de besluiten.’
Ook de notificatieplicht, die inhoudt dat personen tegen wie bijzondere bevoegdheden zijn ingezet na vijf jaar ‘genotificeerd’ worden van die inzet (er wordt dan een brief gestuurd over het feit dat je bijvoorbeeld getapt bent), krijgt meer mogelijkheden tot langer uitstel. Niet langer ieder jaar (na die vijf jaar) moet bekeken worden of iemand op de hoogte kan worden gebracht, maar pas als de algemene weigergronden voor openbaarmaking niet langer van toepassing zijn.
compliance en audit
Daarnaast zal de in het wetsvoorstel opgenomen wettelijke verankering van de compliance- en auditfunctie voor het intern toezicht binnen de diensten het CTT werk uit handen nemen. Momenteel is dit beleid er al, maar het wordt nu dus wettelijk vastgelegd.
Wat houdt dit in? Compliance houdt in dat er permanent en systematisch gekeken wordt of de werkzaamheden worden uitgevoerd volgens vastgesteld beleid en processen.
Het interne toezicht is eigenlijk het voorportaal van de afdeling toezicht van het CTT. Het stelt de afdeling toezicht van het CTT als externe toezichthouder in staat de taken en werkzaamheden efficiënt en risicogestuurd in te richten.
De slag gewogen
Al deze voorgenomen maatregelen zullen effect hebben op de wendbaarheid, flexibiliteit en dus slagkracht. Het is moeilijk om de verhouding tussen het opponentenregime en de andere maatregelen te duiden. Hierbij spelen veel factoren een rol waarop we geen zicht hebben, simpelweg omdat veel van de organisatorische elementen geheim zijn.
Peter de Werd doet hiervoor overigens wel een goed voorstel. ‘Je zou de compliance functie van de diensten moeten versterken, zoals in het wetsvoorstel ook wordt voorgesteld. Los daarvan kun je de auditfunctie versterken bijvoorbeeld door het instellen van een inspecteur-generaal. Deze zou verantwoordelijk moeten zijn voor de auditfunctie, met daarbij volledige toegang tot alle plaatsen, medewerkers, systemen en informatie. En de inspecteur-generaal zou geen substituut van het CTT moeten worden, maar aanvullend moeten werken.’ Bovendien, zo stelt De Werd, is het van belang dat zo’n inspecteur-generaal onafhankelijke publieke rapportages uitbrengt. ‘Naast het externe juridische toezicht creëer je hiermee ook toezicht op het gehele functioneren van de diensten; dicht op de werkvloer en laagdrempeliger te benaderen.,’ aldus De Werd. In de Verenigde Staten en sommige andere landen kent men het model van onafhankelijke inspecteurs-generaal (IG’s) die intern toezicht houden op de verschillende inlichtingendiensten, alsook de inlichtingengemeenschap als geheel. Het is verre van perfect, aldus De Werd, maar kan zeker dienen als model.
Advies van de Algemene Rekenkamer
Het is interessant om na bovenstaande nog eens te kijken naar een van de adviezen van de Rekenkamer aan de ministers: ‘Indien het verlies aan operationele slagkracht als onwenselijk wordt beschouwd, tref passende maatregelen voor de structurele administratieve lastenverzwaring van de I&V-diensten als gevolg van de implementatie van de Wiv 2017. Stel daarbij als voorwaarde dat de I&V-diensten projectadministraties voeren van de inzet van (extra) middelen voor het realiseren van wetswijzigingen.’
In dit kader is de reactie van beide ministers interessant. Zij stelden ook dat ‘in de praktijk is gebleken dat de in- en uitvoering van de wet meer capaciteit vergt dan verwacht. Dat geldt voor de inzet van personeel en van IT-middelen voor de waarborgen van de wet en de werkwijze met kabelinter¬ceptie. Vooral bij de MIVD moet er een achterstand worden ingelopen op het gebied van IT’
Belofte
En er volgt een belofte, die zeker in het kader van het nieuwe wetsvoorstel van belang is. Er gaat een uitvoeringstoets komen van de Wiv 2017. ‘Het uitgangspunt hierbij is dat de uitkomsten van deze toets worden meegenomen in het traject tot wijziging van de Wiv 2017. De resultaten van deze toets zullen worden geactualiseerd en worden meegestuurd aan het parlement, voor zover dat het operationeel oogpunt ook (volledig) openbaar kan worden gedeeld.’
Kamerleden opgelet
Het is jammer, dat ook na navraag bij het ministerie deze nog niet (deels) openbaar is. De belofte uit september 2023 om ‘bij een wijziging van het wettelijk kader altijd en tijdig een uitvoeringstoets uit te voeren waarbij tenminste aandacht wordt besteed aan de effecten op de regeldruk (administratieve lasten), de budgettaire consequenties daarvan en de gevolgen voor IT en de bedrijfsvoering van de betrokken organisaties’ zou zeker in het kader van noodzaak van het opponentenregime zoals in dit artikel geanalyseerd een bijdrage aan de analyse kunnen leveren.
Interessant voor Kamerleden om eens een vraag over te stellen. Kunnen we de waarborgen voor voldoende toetsing en toezicht in stand houden als er bij wijze van spreken 10 procent extra administratieve krachten worden aangenomen? We borgen dan én slagvaardige diensten én controle. Een vraag die zeker gesteld zal moeten worden.








